donderdag 20 november 2008

Biologische Landbouw in het nadeel

Onderstaand artikel is gepubliceerd in het tijdschrift De Kleine Aarde
Herfst 1985 no. 54


Hoewel het artikel al dateert van ruim 20 jaar geleden waardoor de bedragen uiteraard nog in guldens staan vermeldt en het landbouwberleid (ook in de EU) in de afgelopen jaren behoorlijk is gewijzigd is de kernboodschap nog steeds actueel. De kleinschalige, biologische landbouw wordt sterk benadeeld ten opzichte van de reguliere intensieve landbouw.


Landbouwfabeltjes doorgeprikt

Landbouw blijft actueel met mestoverschotten, zure regen, drinkwatervervuiling en steeds meer ook 'geïntegreerde landbouw'. Alternatieve landbouw is in de discussies eigenlijk maar een dwerg.
Maar die dwerg begint nu steeds hinderlijker te zeuren over concurrentievervalsing. En daarvan komen nu ook cijfers op tafel. Voor ruim 400 gulden per jaar wordt elke Nederlander aangeslagen om het landbouwsysteem in stand te houden. Daarvan is alleen al 150 gulden nodig om de overschottenpolitiek van de EU te betalen. Dat geld komt uit algemene middelen, BTW-afdracht en douanerechten en het komt hoofdzakelijk ten goede aan de moderne landbouw. Niet verwonderlijk dus, dat die zijn prijzen laag kan houden. Als de beleidsmakers in Den Haag zeggen dat alternatieve landbouw te duur is, dan liegen zij. Met een subsidie van 6 miljard gulden per jaar (zie hieronder het verhaal 'Parels voor de zwijnen') zou de alternatieve landbouw er ook wel anders uitzien. Ook het smoesje dat de alternatieve landbouw niet voldoende voedsel oplevert kan de prullenbak in. De econoom Theo Bakker zocht voor het Landbouwkundig Economisch Instituut uit wat er gebeurt met de Nederlandse landbouw als alle import wordt afgesloten. De uitkomst staat in Bakkers proefschrift (zie verderop in dit artikel)en daaruit valt af te leiden dat een biologische, ekologische landbouw voldoende voedsel oplevert voor heel Nederland en nog een deel van België toe. Bovendien zouden we er behoorlijk veel fossiele energie mee besparen.
Dit soort rekensommen schuift de landbouwlobby bij voorkeur onder tafel. Net zoals die analyse van de mestoverschotten. De omvang van dat probleem werd al onomstotelijk gesignaleerd in 1972. Maar het betreffende rapport kon in een la worden gehouden totdat vorig jaar de zaak zo ver uit de hand was gelopen dat er in paniek enkele noodwetjes moesten worden aangenomen. Ook het proefschrift van Bakker is vier jaar lang tegengehouden. Het toont namelijk keihard aan dat drooglegging van de Markerwaard absoluut niet nodig is voor de Nederlandse voedselvoorziening. Blijkbaar spelen er andere belangen mee waardoor deze drooglegging onder valse dekmantel toch door moet gaan. Waar zijn ze nu eigenlijk mee bezig op het ministerie van Landbouw? Puur politieke beslissingen hebben arbeid duur gemaakt en investeringen goedkoop. Boeren moesten dus wel hun knechten op straat zetten om vervolgens het werk door machines te laten doen. Machines die alleen te betalen zijn als zij uiterst grootschalig werken. Premies op arbeid in plaats van op investeringen zouden de zaak kunnen omkeren. Het wordt dan weer aantrekkelijk om mensen in dienst te nemen. Grootschaligheid wordt dan niet meer automatisch beloond, en bij het milieu kan er dan misschien weer eens een glimlach van af.
Waarom gebeurt dit niet? De beleidsmakers worden verblind door het prachtige bedrag van 15 miljard gulden per jaar. Dat zou de netto-opbrengst zijn van de Nederlandse landbouw. Maar dat is de uitkomst van een zeer eenzijdig rekensommetje. Alleen de directe kosten zijn hierin meegenomen. De rekening die het milieu nog gaat indienen voor bodem-, water- en luchtverontreiniging is volledig buiten beschouwing gelaten. Maar ook sociale aspecten worden volkomen genegeerd. Neem maar eens de bio-indus-trie. De EG beschermt haar markt door een tolmuur. Maar krachtvoer mag ongehinderd binnenkomen. Dat voer kan daardoor heel goedkoop blijven. Grootschalige boeren in de Derde Wereld kunnen namelijk, net zoals dat hier tot nu toe gebeurt, een deel van hun kosten afwentelen op de gemeenschap. Zij betalen niet voor de schade die zij aan het milieu toebrengen, enerzijds door vervuiling maar ook nog eens door de enorme erosie waardoor steeds meer landbouwgrond voor goed verloren gaat. Deze grootschalige krachtvoerproductie levert winst op voor enkelen en verlies voor de meerderheid. Eerst krijgen we dus uitbuiting in de Derde Wereld, daarna komt de uitbuiting van onze landbouwhuisdieren, en om dit in stand te houden mag elke Nederlander ook nog eens meer dan 400 gulden per jaar neertellen. Intussen mogen we in de illusie leven dat we best wel goedkoop voedsel hebben, met als toetje het schandelijke mestoverschot. Gelukkig voelen steeds meer mensen aan dat ze bedonderd worden. Ondanks de op het eerste gezicht wat hogere prijs koopt toch al 3,4 pct. van de consumenten regelmatig biologische producten (reform niet meegerekend!).
Verder maakt 30 pct. zich zorgen over de ongezonde manier van leven in ons land. Van deze cijfers gaan marketingmensen uit hun bol. Het lijkt er namelijk op dat de huidige alternatieve consumenten nog pas de voorlopers zijn. De massa zou volgens die marketingdeskundigen spoedig volgen. Intussen heeft het alternatieve circuit moeite om in de pas te blijven.
De stagnering in groei is nog steeds niet overwonnen, maar er vallen ook wel weer enkele positieve ontwikkelingen te bespeuren zoals het keurmerk en de Groene Lijn . Het is echter nog te vroeg om van een nieuw elan te spreken. Dat elan is wel nodig om een nieuwe marktbenadering te vinden waarmee die massa inderdaad over de drempel wordt getrokken.


Het Nederlandse Landbouwbeleid: Doelstellingen en resultaten
Het Nederlandse landbouwbeleid is afgestemd op het Europese beleid. Het landbouwbeleid is een van de belangrijkste peilers van het Europese samenwerkingsverband. Dat blijkt uit het feit dat in 1983 ruim 63 pet. van de totale EU-begroting naar de landbouw ging en 66 miljard gulden bedroeg.
De oorspronkelijke doelstellingen die tot dit EU-beleid geleid hebben waren:
1. Toename van de landbouwproductiviteit.
2. Een redelijke levensstandaard voor de boeren.
3. Stabiliseren van de markten.
4. Veiligstellen van de voedselvoorziening.
5. Garanderen van redelijke prijzen voor de consumenten
Hoe ziet de huidige situatie in de landbouw er in het licht van deze doelstellingen uit?

Aantal boeren gehalveerd
Ad 1. De totale waarde van de landbouwproductie is gestegen van 7 miljard gulden in 1959 tot 30 miljard gulden in 1982. In diezelfde periode daalde het aantal werkzame personen in de landbouw van 500.000 tot 250.000. Hierdoor kon de productiviteit per boer jaarlijks met bijna 10 pct. stijgen. Deze zeer verdienstelijke productiviteitsstijging werd mogelijk omdat menselijke arbeid steeds meer door machines vervangen werd.
Als we echter alleen naar de productiviteit per boer kijken, krijgen we een vertekend beeld want productiviteit is een maat voor de verhouding tussen output en input. Bij Input moeten we naast arbeid ook kijken naar bijvoorbeeld kapitaal. Het op steeds grotere schaal toepassen van machines vergt grote investeringen. Eigenlijk zou je dus over dezelfde periode de verhouding opbrengsten/kosten moeten bezien. Hierover ontbreken echter gegevens. Een ander punt is of we met de huidige hoge werkloosheidscijfers eigenlijk wel blij moeten zijn met een steeds grotere arbeidsuitstoot uit de landbouw. Verder zitten we dankzij die hoge productiviteit nu binnen Nederland en binnen de EG met grote overschotten aan landbouwproducten. Dat kost handenvol geld. De cijfers spreken voor zich: in 1984 binnen de EU een wijnplas van 30 miljoen hectoliter, een graanberg van 140 miljoen ton en de nodige bergen melkpoeder, boter, vlees, suiker en eieren. De kosten van deze overproductie bedroegen in 1983 voor de EU in totaal 40 miljard gulden. Het merendeel hiervan komt ten laste van zuivel (30 pct.) en granen (15 pct.).

Inkomen beneden minimumloon
Ad 2. Op het punt van garanderen van een redelijke levensstandaard voor de boeren is het landbouwbeleid veel minder succesvol geweest. Een recent onderzoek heeft aangetoond dat de Nederlandse landbouwer weliswaar het hoogste inkomen had, vergeleken met zijn Europese collega's, maar als je de zaak per uur bekijkt blijkt dat het merendeel van de boeren onder het minimumuurloon zitten. Een op de vier boeren en tuinders kwam in 1984 in aanmerking voor een eenmalige uitkering, voor de zogenaamde échte minima! Daarnaast verschillen de inkomens onderling sterk, afhankelijk van de bedrijfsgrootte. Het gemiddelde besteedbaar inkomen voor een landbouwer met een bedrijf dat groter is dan 76 Standaard Bedrijfseenheden (SBE), maar kleiner is dan 152 SBE, bedroeg in seizoen '82/'83 (dat overigens een goed jaar was voor de landbouw) f 45.300 -. Om een idee te hebben van deze bedrijfsomvang: 152 SBE is bijvoorbeeld een melkveehouderij van 20 ha en 45 melkkoeien of een akkerbouwbedrijf van 32 ha waarop aardappelen, suikerbieten en granen verbouwd worden. Met dit besteedbaar inkomen moet de boer in kwestie zijn gezin onderhouden, zijn aflossingen betalen en reserveren voor toekomstige investeringen. Als je dan uitgaat van f 36.000-voor gezinsuitgaven, dan begrijpt iedereen wel hoe moeilijk kleine boeren het in Nederland hebben.

Enorme import
Ad 3. Het is zeer de vraag in hoeverre de doelstelling van stabiliseren van markten verwezenlijkt is. Zeker als je bij de beschouwing hierover ook de productieoverschotten en de enorme financiële injecties die dit beleid eist betrekt.

Ad 4. Het veiligstellen van de voedselvoorziening is voor de EU als geheel in zekere mate wel gelukt maar per land afzonderlijk zeker niet. Om een voorbeeld te noemen: Alleen al voor veevoer importeert Nederland de vruchten van een equivalent van 5,4 miljoen Amerikaanse hectare graan, voor een veehouderijsector die daarbij nog eens driekwart van ons eigen areaal van 1,9 miljoen hectare in beslag neemt (uit 'Intermediar' 29/6/84, artikel: 'Kan Nederland zichzelf voeden?', door Theo Bakker).
De belangrijkste Nederlandse landbouwsector bestaat dus bij de gratie van grote landbouwinspanningen in andere landen (niet alleen de VS maar ook in vele ontwikkelingslanden). Daarvan laten we de producten vaak tegen zeer lage importheffingen toe omdat wij ze nodig hebben. Producten die we binnen EU-verband zelf verbouwen, worden daarentegen met hoge importtarieven geweerd. Logisch... nietwaar?

Ad5. Het garanderen van redelijke prijzen voor de consument lijkt wel verwezenlijkt. De gemiddelde prijsstijging voor voedingsmiddelen is gedurende vele jaren achtergebleven bij gemiddelde prijsstijgingen van andere producten. In cijfers uitgedrukt: In de periode van 1970 tot 1980 stegen de gemiddelde prijzen voor voeding met 62 pct., terwijl die voor wonen stegen met 70 pct., voor medische verzorging met 84 pct. en voor kleding met 86 pct. Er schuilt echter een adder onder het gras in die zin dat naast de directe uitgaven die een consument doet voor de aanschaf van zijn voedingsmiddelen hij/zij indirect ook betaalt voor de landbouw en dat via de overheid bij producenten terechtkomt. Deze kosten worden echter buiten beschouwing gelaten.

Parels voor de zwijnen
Als we voormalige minister van landbouw de heer Braks mogen geloven, valt het nogal mee met de subsidies in de landbouw, maar de cijfers spreken hem tegen.
In 1983 ging ruim 63 pct. van de totale EU-begroting, oftewel 66 miljard gulden naar de landbouw. In Nederland werd in 1981 bijna 6 miljard gulden uitgegeven aan landbouw.
In 1981 werden door de EU en de Nederlandse overheid in totaal 5,9 miljard gulden uitgegeven voor de Nederlandse landbouw.*1)
Meer dan de helft hiervan (3,3 miljard) komt uit de EU-kas (Europees Garantiefonds) waarvan ieder EU-land bijdraagt door afdrachten van BTW (maximaal 1 pct.) en douanerechten op geïmporteerde landbouwproducten. Via het rijk vloeit 2,6 miljard gulden naar de landbouw. Dit geld is afkomstig van diverse belastingen zoals BTW, accijnzen en personele belastingen. Het zijn dus de belastingbetalers in het algemeen alsook in hun hoedanigheid van consument die deze geldstroom mogelijk maken.

Waar gaat het geld naar toe? Hierbij moeten we onderscheid maken tussen het markt/prijsbeleid en het structuurbeleid van de overheid. De gelden van het Europees Garantiefonds gaan rechtstreeks op aan het markt/prijsbeleid, terwijl de Nederlandse overheidsgelden voornamelijk dienen om het structuurbeleid vorm te geven. Vergoedingen in het kader van het markt/prijsbeleid betekenen concreet het garanderen van minimumprijzen en het af geven van exportsubsidies. Wanneer de marktprijs op de EU-markt door vraag en aanbod daalt beneden de afgesproken minimumprijs , dan grijpt de overheid in en koopt producten op totdat de marktprijs zich hersteld heeft. Exportsubsidies worden gegeven op producten waarvan de EU-marktprijs duidelijk boven de wereldmarktprijs ligt. De producent krijgt het verschil bijgepast om zodoende op de wereldmarkt te kunnen concurreren. Verreweg de meeste uitgaven gedaan in het kader van het markt/prijsbeleid gaan naar zuivelproducten(liefst 61 pct. in 1981). Op grote afstand volgen dan rundvlees (9 pct.), granen (7 pct.) en suiker (4,5 pct.).*2)
Nederland is hiermee, vergeleken met andere EU-landen, goed af, want ons land telt tussen de 56.000 en 58.000 melkveehouders, die samen ongeveer 2,5 miljoen melkkoeien hebben, die op hun beurt 12 à 13 miljoen ton melk geven. In de Nederlandse melkveehouderij werkt bovendien bijna 50 pct. van de totale landbouw beroepsbevolking. Samen nemen zij 75 pct. van de totale oppervlakte aan cultuurgrond in beslag.
Aangezien we binnen EU-verband echter met grote zuiveloverschotten zitten (in 1984 850 duizend ton boter en 650 duizend ton magere melkpoeder) heeft de EU-commissie de melkproductie een halt toegeroepen door het instellen van een superheffing op teveel geproduceerde melk (bo¬ven het afgesproken quotum) van 56 cent/ liter. (normale vergoeding is circa 3 kwartjes per liter).
Het landbouwbeleid dat juist door haar financiële prikkels de aanzet heeft gegeven voor geweldige productiviteitsverhogingen blijkt nu tè succesvol te zijn geweest.
Om een indruk te geven: door het fokken van koeien met een steeds grotere melkafgifte kon de melkproductie van Nederlandse zwartbontrassen de afgelopen drie jaar jaarlijks met 80 liter per koe stijgen.
De uitgaven in het kader van het structuurbeleid gaan voornamelijk naar onderwijs, onderzoek en voorlichting op het gebied van de Landbouw (in 1981 ongeveer 1,5 miljard gulden). De rest gaat naar investeringspremies, ruilverkavelings- en landinrichtingsprojecten. Interessant is een overzicht van de verdeling van de WIR-premies, in 1981 in totaal 600 miljoen gulden, over de verschillende sectoren. De glastuinbouw en de weidebedrijven strijken de grootste premies op, want zij investeren het meest. Duidelijk de minste premies krijgen 'open grond'-tuinbouwbedrijven en gemengde akkerbouwbedrijven.

*1) Rapport 'Overheidsfinancien in de Landbouw', P. van Hatert, P. Verhagen, LH-Wageningen
*2) Jaarrekening Landbouw Egalisatiefonds 1982.

Er is voldoende reden om niet al te opgetogen te doen over de landbouwsubsidies of het landbouwbeleid in het algemeen. Want hoe belangrijk de landbouw ook mag zijn in de ogen van de overheid, het is maar de vraag of zij tevreden mag zijn met de resultaten van het beleid sinds 1958 (Verdrag van Rome).
De stimulering van de landbouw heeft tot zulke grote overschotten geleid dat zij haar doelstellingen voorbij lijkt te schieten. Daarbij lijkt vooral de biologische en ekologische oftewel alternatieve landbouw het kind van de rekening.
Iedere Nederlander betaalt mee aan het in stand houden van de landbouw. Ruim 400 gulden per jaar is daarmee gemoeid, per persoon wel te verstaan. Aan voeding geeft de gemiddelde Nederlander 2400 gulden per jaar uit. Als alle kosten van de landbouw zouden worden doorberekend in de prijzen, zou onze voeding ruim 15 pct. duurder worden. Kijk dan ook nog eens naar de rekeningen die we nog krijgen voor mestoverschotten, schade door bestrijdingsmiddelen, grondwatervervuiling enzovoort, dan blijkt dat de prijzen die voor producten van de gangbare reguliere landbouw gerekend worden nergens op slaan. Toch worden die prijzen gebruikt in de vergelijking met de alternatieve, biologische landbouw waarvan de prijzen “inclusief alles” zijn.

De enorme export van Nederlandse landbouwproducten zou zo goed zijn voor onze betalingsbalans. Die landbouw kan echt niet anders worden aangepakt, want dat zou weer slecht zijn voor onze economie. En van alternatieve kleinschalige landbouw moet je je helemaal niets voorstellen, want dat wordt honger lijden.
Allemaal fabeltjes waartegen De Kleine Aarde al jaren strijdt. In dit themanummer hebben we cijfers die glashard aantonen dat deze fabeltjes hoogstens gehanteerd worden om het belang te verdedigen van een kleine groep die inderdaad beter wordt van de moderne, ontspoorde landbouw. Maar dat lukt alleen omdat een deel van de kosten kan worden afgewenteld op anderen. Zij hebben er dus belang bij dat Haagse “landbouwers “ hun gang kunnen blijven gaan.


Schaalvergroting en specialisatie
De gevolgen van het landbouwbeleid worden zichtbaar wanneer we de landbouw over een langere periode analyseren. Een vergelijking tussen 1964 en 1980 laat zien dat:

• Er een toename heeft plaatsgevonden van de melkvee-, varkens- en pluimveestapel.

• Het akkerbouwareaal in totaal is afgenomen door ontmenging van bedrijven.
(Een gemengd bedrijf is een bedrijf waar enerzijds aan veeteelt wordt gedaan, anderzijds aan akkerbouw of tuinbouw).

• Het graanareaal is afgenomen, maar het suikerbietenareaal is enigszins toegenomen.

• De glastuinbouw in een aantal regio’s is afgenomen en heeft zich geconcentreerd in de van oudsher traditionele tuinbouwgebieden van Zuid-Holland.
Hieruit blijkt dat het Nederlandse landbouwbeleid heeft geleid tot schaalvergroting, ontmenging van bedrijven, intensivering en specialisatie van productie. De financieel-economische premies, door de overheid beschikbaar gesteld, hebben de landbouw tot in haar wezen veranderd. De ontmenging van bedrijven is een duidelijk signaal dat landbouwkundige motieven of principes hebben moeten wijken voor economische doelstellingen. Door de toename van de veestapel hebben we te maken met overschotten aan dierlijke producten en dierlijke mest. In Nederland wordt op dit moment per jaar 86 miljoen ton dierlijke mest geproduceerd, waarvan volgens optimistische schattingen (hoge toelaatbare bemesting) 18 miljoen ton niet bij productiebedrijven kan worden afgezet. Tot nu toe werd deze mest simpelweg geloosd met als gevolg overmatige algengroei in het oppervlakte-water. De ammoniak uit de mest draagt bij aan de verzuring van de regen. De zware metalen uit diervoeders komen in de mest terecht en vervuilen zo het grondwater en de oppervlaktelaag. Elk jaar krijgt de bodem 2300 ton koper, voornamelijk uit varkensmest te verwerken.

Nederlandse granen
De vergroting van de veestapel heeft ook geleid tot een steeds grotere behoefte aan veevoeder. Dat is niet opgevangen door een grotere binnenlandse productie van granen en akkerbouwproducten. Het aandeel daarvan in het veevoeder wordt zelfs steeds meer overgenomen door scheepsladingen landbouw-'afval' uit onder andere ontwikkelingslanden (tapioca, sojaschroot, maïsgluten) omdat men dat goedkoop kan importeren. De invoer van veevoederproducten uit 12 ontwikkelingslanden vertienvoudigde van ruim 600 duizend ton in 1961 tot bijna 6 miljoen ton in 1981. Het aandeel van ontwikkelingslanden in de totale invoer van veevoederproducten uit de hele wereld steeg daarmee van 23 pct. tot bijna 50 pct. Volgens velen blijft de bakkwaliteit van Nederlandse granen achter bij die van buitenlandse granen, onder andere door een lager eiwitgehalte. Daarom wordt verreweg het meeste graan voor het bakken van brood uit het buitenland gehaald -ten koste van ons eigen graanareaal. Jammer dat zo velen het brood nog niet geproefd hebben dat bereid wordt uit Nederlands graan!

De 200 van COAL
Om de gevolgen van het overheidsbeleid op de alternatieve biologische landbouw aan te kunnen geven, moeten we eerst kijken wat onder alternatieve landbouw wordt verstaan, wat de omvang ervan is en in welke sectoren zij opereert. De moeilijkheid daarbij is dat de alternatieve landbouw zozeer als een marginaal randverschijnsel beschouwd werd dat er nauwelijks onderzoek naar is gedaan. Een onderzoek wil ik hier echter toch noemen: een inventarisatie van alternatieve bedrijven door de Commissie Onderzoek Aangepaste Landbouw (COAL) in 1982.
Volgens dat onderzoek telt Nederland ruim 200 bedrijven die op een alternatieve (aangepaste?) manier landbouw bedrijven. Op het totaal is dat 0,2 pct. van alle landbouwbedrijven. Naar het soort activiteiten zijn het voornamelijk tuinbouw-, akkerbouwbedrijven en extensieve, gemengde veehouderijen. Een scherpe definitie van alternatieve landbouw is niet te geven vanwege onderlinge verschillen tussen bedrijven en stromingen. Daarom maar een meer globale omschrijving:
De alternatieve landbouw streeft naar:
* Gemengde in plaats van gespecialiseerde bedrijven
* Optimale in plaats van maximale productie
* Organische in plaats van anorganische bemesting
* Het met behulp van cultuurmaatregelen voorkomen van ziekten en plagen in plaats
van ziektebestrijding met chemische middelen
* Een landbouwkundig in plaats van economisch verantwoorde productie
* Het aanbieden van een voedselpakket dat in verschillende opzichten duidelijk afwijkt van dat uit de reguliere landbouw.

Geen gelijke Kansen
Samenvattend: deze uitgangspunten gaan in de richting van gemengde bedrijven van geringe omvang die bovendien weinig kapitaalsintensief en meer arbeidsintensief zijn. Met deze globale omschrijving in de hand, kunnen we de gevolgen van het overheidsbeleid voor de alternatieve landbouw aangeven. Uit de ontwikkeling van de totale landbouw en sectoren daarbinnen, gekeken over een langere periode waarin het overheidsbeleid nauwelijks is gewijzigd, blijkt dat juist die sectoren, waarin de alternatieve landbouw actief is, terugliepen.
De conclusie is dus - in tegenstelling tot eerdere uitlatingen van minister Braks -dat de alternatieve landbouw zeker niet in gelijke mate geprofiteerd heeft van het Nederlandse overheidsbeleid. Sterker nog: het is maar zeer de vraag of de alternatieve landbouw niet gediscrimineerd wordt tegenover de reguliere landbouw.
Te denken valt aan regelingen in het kader van het structuurbeleid: arbeidsintensieve bedrijven worden uitgesloten van sommige regelingen (rentesubsidies van het Ontwikkelings- en Saneringsfonds), simpelweg omdat ze teveel volledige arbeidskrachten in dienst hebben. Daarnaast wordt de inzet van kapitaal (WIR-premies) wel beloond ten koste van de inzet van arbeid.
En dat terwijl andere maatregelen grote, kleine, alternatieve of reguliere bedrijven wel even zwaar treffen: Superheffing en het verbod op vestiging van varkens- en pluimveehouderijen. Hoewel het markt/prijsbeleid als onderdeel van het landbouwbeleid basisvoorzieningen schept die op zich niet discriminerend te noemen zijn, profiteren er wel die bedrijven het meeste van, die zich toeleggen op productieverhoging en export zonder zich iets aan te trekken van marktverhoudingen, landbouwkundige en milieuaspecten.

De consument!
De milieubewuste consument is bereid hogere prijzen te betalen voor biologische producten. Daarnaast moet hij echter via belastingen ook meebetalen aan de ondersteuning van de reguliere landbouw waar hij in feite een tegenstander van is.

Daarmee kom ik tot de volgende aanbevelingen:
* Het geleidelijk afbouwen van beschermende maatregelen voor de landbouw en
het geleidelijk afbouwen van het huidige overheidsbeleid .
* Het stimuleren van zelfvoorziening in de Landbouw en het duurder maken van
landbouwimporten (met name uit ontwikkelingslanden).
* Het stimuleren van landbouwmethoden met minimale effecten voor de gezondheid en het milieu en het belasten van methoden die hiermee minder rekening houden.
* In die gevallen waar landbouwkundige eisen een bedrijfseconomisch rendabele opzet niet voldoende ruimte laten, moeten er inkomensaanvullingen vanuit de overheid gegeven worden. (Het algemene belang = overheidsbelang).
* Het vergroten van de keuzevrijheid voor consument en in die zin dat de prijzen voor voedingsproducten een weerspiegeling zijn van alle gemaakte kosten, zodat een consument weet waarvoor hij kiest en waarom.
* De overheid zou alternatieve landbouwmethodes ook een plaats moeten geven bij onderzoek en in de Iandbouw voorlichting.

Misschien dat dan vragen als: 'is de alternatieve Landbouw minder productief vergeleken met de reguliere landbouw' of 'heeft de alternatieve landbouw op wereldniveau enig perspectief?' beantwoord kunnen worden!

De auteur heeft in opdracht van STOK (Vereniging ter Stimulering en Ondersteuning van Kleinschalige Bedrijven) een onderzoek gedaan naar het Overheidsbeleid ten behoeve van de Landbouw.


Update 2018
De actualiteit van dit thema blijkt ook uit een recent artikel van filosoof Michiel Korthals in het digitale tijdschrift De Correspondent. https://decorrespondent.nl/8351/er-is-een-grote-omwenteling-nodig-in-de-landbouw-vindt-deze-filosoof-ons-levensgeluk-hangt-ervan-af/1160953372733-634c0c26

Geen opmerkingen: